Werkwijze
Hieronder zie je hoe je de opdrachten kunt maken.
Elke opdracht maak je in een Word-document.
Als je stap voor stap werkt, gaan de opdrachten vanzelf!
Opdracht 1:
-
Maak een woordspin met in het midden de zin: waaraan denk jij bij het onderwerp 'JEZELF ZIJN'?
-
Bedenk situaties waarin je je op je gemak voelde. Maak hier een lijstje van.
-
Kies één situatie uit.
Schrijf hierover kort op hoe jij je op dat moment voelde en waardoor dat kwam.
-
Schrijf nu een paar situaties op, waarbij jij je niet prettig voelde.
Kies één van deze gebeurtenissen uit.
-
Geef aan hoe deze gebeurtenis was en hoe jij je voelde.
-
Merkten andere mensen aan jou dat er iets aan de hand was?
Opdracht 2
-
Lees het gedicht bij opdracht 2 nog eens. Schrijf op wat je van dit gedicht vindt.
-
Hoe zou de schrijver van het gedicht zich voelen en hoe weet je dat? Wat doe je met dit briefje? Schrijf dit op.
-
Leg goed uit waarom je deze keuze hebt gemaakt.
Opdracht 3:
-
Hoe kun je zien dat iemand zich op zijn gemak voelt?
-
Hoe kun je zien dat iemand niet zichzelf kan zijn?
-
Maak een schema, dat er ongeveer zó uitziet:
JEZELF KUNNEN ZIJN |
NIET JEZELF KUNNEN ZIJN |
| Bijvoorbeeld: Kunnen zeggen wat je wilt. |
Bijvoorbeeld: Je anders gedragen dan je zou willen. |
| . . . . . . |
. . . . . . |
| . . . . . . | . . . . . . |
-
Zoek plaatjes waarop je kunt zien hoe iemand zich voelt.
-
Kopieer het plaatje en plak het in een Word-document.
-
Is deze persoon zichzelf of niet?
-
Waaraan zie je dat?
-
Schrijf dit bij het plaatje